Behandeling
De hersenen bevatten enkele zeer kleine gebieden die een belangrijke rol spelen bij het tot stand komen van een zaadlozing. Deze kleine gebieden bestaan uit een groot aantal zenuwcellen die met elkaar contact maken via de stof serotonine.
Bij vroegtijdige zaadlozing is er sprake van een tekort aan serotonine en waarschijnlijk ook van een ongevoeligheid van een deel van de zenuwcel (de receptor) die betrokken is bij de zaadlozing.
Vroegtijdige zaadlozing kan effectief met medicijnen behandeld worden. De medicijnen die hiervoor gebruikt worden, activeren de stof serotonine waardoor de receptor van de zenuwcel sterker wordt geactiveerd.
De medicijnen die serotonine verhogen, kunnen in de eerste 2-3 weken bijwerkingen veroorzaken, maar dat hoeft beslist niet altijd het geval te zijn. Deze bijwerkingen zijn niet gevaarlijk maar kunnen wel hinderlijk zijn. De bijwerkingen die men kan verwachten zijn moeheid, gapen, soms dunne ontlasting, soms wat weeig gevoel in de maag, en soms wat versterkte transpiratie. In principe gaan deze bijwerkingen na 2-3 weken weer weg.
Het vertragende effect op de zaadlozing treedt meestal aan het eind van de 2de week op, maar kan beslist ook in de eerste week te merken zijn.
Op dit moment bestaat er nog geen medicijn dat iemand ineens en voor altijd van zijn vroegtijdige zaadlozing afhelpt. De zaadlozing kan alleen vertraagd worden, zolang de persoon de medicijnen slikt. Bij staken van de medicatie, treedt de vroegtijdige zaadlozing na enkele dagen weer op.
Bij geregeld seksueel contact, is het handig de medicijnen dagelijks te slikken. Bij minder frequent seksueel contact kan men het medicijn eventueel enkele uren van te voren innemen. Maar dit moet wel 4-6 uur van te voren zijn. Dit heeft als nadeel dat de seks erg gepland lijkt en dat de spontaniteit ervan vermindert. Dit kan met name door de vrouwelijke partner als storend worden ervaren.
Bijwerkingen van deze medicijnen op langere termijn zijn op dit moment niet bekend.
|